Blog Davey de Haze

Darten en de briljante walk-ons

Gepubliceerd op 18 april 2016
Al jaren zijn de meningen verdeeld of darten een sport is. Sommigen vinden van wel, anderen zeggen dat het gewoon een spelletje is. Ik sta natuurlijk aan de kant van 'ja, het is zeker een sport'. De spelers hoeven geen atleten te zijn om een topsport te beoefenen. Professionele darters steken er net zo veel, dan wel niet meer, tijd in als iedere andere topsporter. Mentaliteit is een ding wat erg belangrijk is en de top in het darten bezit deze wel degelijk. Er komt veel meer bij kijken dan een walk-on lopen en een pijltje gooien. Net zoals er bij voetbal meer komt kijken dan tegen een bal aantrappen.
col devon petersen
col ted hankey
col wayne mardle

Waar wel veel mensen het over eens zijn, is de amusementswaarde. Darten is entertainment. Eigenlijk net zoals elke sport entertainment is. Maar darten heeft toch iets extra's qua amusement. De zalen met het enthousiaste publiek speelt daar een belangrijke rol in, maar is niet de sleutel tot dat succes. Niet alleen het luidkeels zingen van liedjes die wekenlang in je hoofd zitten. Ook niet alleen doordat er geen rivaliteit is tussen fans. Zelfs het gemiddelde van 123.40 van Michael van Gerwen is niet eens doorslaggevend. Nee, het grote succes zit nog net voordat de wedstrijd begint: de walk-on.

Rond 2000 begon ik het darten te volgen en elk jaar intensiever. Ik herinner me vooral de opkomsten van Tony O'shea, Darryl Fitton, Martin Adams en John Walton. Het opkomstnummer Hey Baby van O'shea wordt nog steeds in de zalen gezongen. Nog voordat de wedstrijd begon was het al spektakel. Het dansen van Fitton en het huilen van Adams zijn echte klassiekers. Walton die met een cowboypak het podium betrad en Mervyn King met zijn kroon. Het waren opkomsten van echte characters in de sport.

De bekendste in die tijd was misschien wel van Ted Hankey. Nog altijd één van de bekendste onder de mensen die darten niet echt volgen. Zijn cape en de vleermuisjes staan nog in ieders geheugen gegrift. Daarnaast konden ook Peter Manley en Wayne Mardle een echte show weggeven. Mede door hun walk-ons waren zij een genot om naar te kijken.

Tegenwoordig zijn de walk-ons wat minder speciaal. Begrijp me niet verkeerd; ik geniet nog steeds van elke walk-on. Maar vooral de subtoppers moeten iets verzinnen om niet vergeten te worden. Devon Petersen maakte meteen naam met zijn dansje. Tijdens een Euro-Tour van vorig jaar kwam hij zelfs met een hoverboard het podium op. Dimitri van den Bergh maakt een echt feest van zijn opkomst en ook Daryl Gurney probeert het de laatste tijd. Verder hebben we Stephen Bunting met zijn bird-dansje, Terry Jenkins als 'the bull' en James Richardson die het publiek dirigeert mee te zingen met het Engelse voetballied. Ook niet te vergeten is de veelbesproken opkomst van Dirk van Duijvenbode, natuurlijk. En naast deze zeven hebben we de koning van de huidige walk-ons: Peter Wright.

Maar eigenlijk blijft het bij deze acht namen. Van Gerwen, Phil Taylor en Gary Anderson hebben een lichtshow tijdens hun walk-on. Master of Ceremonies John McDonald zorgt ervoor dat hun opkomst speciaal lijkt. Maar zelf doen ze weinig. Of doen ze genoeg? Het lijken me niet de walk-ons waar ik over tien jaar nog over terugdenk.

Voor mij blijven er een aantal vragen onbeantwoord. Is een opkomstnummer al genoeg zoals bij Vincent van der Voort? Is een lichtshow met een goede mastercaller genoeg? Moeten we meer walk-ons hebben zoals die van Manley en Hankey? Of zijn alle walk-ons prima zoals ze zijn en moeten we het er niet meer over hebben?

Sport is entertainment en darten is daar het grootste voorbeeld van. Laten we hopen dat de sport zich nog jaren kan onderscheiden met onder andere de prachtige walk-ons. Het zou zonde zijn als ze over een aantal jaar niet meer special zijn.

Davey de Haze

Reacties